Diagnostiek- en behandeling depressiviteit bij somatisch zieken


Klinisch beeld

  • sombere stemming en/of verlies van interesse of plezier
  • pathologisch indien aanhoudend, en oorzaak van significant lijden of beperkingenin functioneren
  • eventueel gepaard gaand met andere symptomen als duidelijke gewichtsverandering, veranderd slaappatroon, verandering in psychomotoriek, aanhoudende moeheid of verlies van energie, overmatige minderwaardigheids- en/of schuldgevoelens, verminderd denk-, concentratie- en beslissingsvermogen en terugkerende gedachten aan de dood.
  • waarbij voor een diagnose depressieve episode 4 van genoemde andere symptomen aanwezig moeten zijn. Daarbij doet het er niet toe of een of meerdere van die symptomen misschien beter somatisch verklaard kunnnen worden (symptomen ziekte zelf of bijwerkingen behandeling).

Predisponerende factoren:

  • voorgeschiedenis met stemmingsstoornissen
  • familiaire belasting met stemmingsstoornissen
  • alcohol- en/of middelenmisbruik
  • copingstijl
  • gebrek aan sociale steun
  • ernst en duur van stressfactoren (incl, de ziekte zelf als stressor)

Luxerende factoren:

- van psychologische aard:

  • somatische symptomen die niet goed onder controle zijn
  • existentiële bedreiging, die van ziekte uitgaat, bijv. Ca, MI
  • miskenning van autonomie door somatische aandoening
ernst van fysieke beperkingen ten gevolge van somatische aandoening

- van fysiologische aard:

  • aard fysieke aandoening: aandoeningen CZS als CVA, MS, Parkinson, Huntington; sommige carcinomen, m.n. pancreasca; endocrien aandoeningen bijv. Cushing
  • medicatie en psychactieve stoffen bijv. CorticosteroÏden, ß-blokkers e.d.

Diagnostiek:
  • Herkenning door anamnese, hetero-anamnese (arts, verpleging, familie), observatie, psychiatrisch onderzoek, MMSE
  • Identificatie van luxerende factoren via
  • algemeen lichamelijk en neurologisch onderzoek
  • laboratoriumonderzoek en aanvullende diagnostiek op indicatie, afhankelijk van somatisch lijden

Classificatie: volgens DSM-IV.

Loopt uiteen van rouwreactie via depressieve stemmings-stoornis t.g.v. lichamelijke aandoening, aanpassingsstoornis met depressieve stemming, depressieve stoornis NAO naar depressieve episode, eenmalig of recidiverend, eventueel met psychotische kenmerken.


Behandeling:

Bestaat uit combi van biologische en psychotherapeutische behandelmethoden, waarbij op het continuüm van depressiviteit als enkelvoudig symptoom naar depressiviteit in het kader van een depressieve episode de nadruk aan het begin meer ligt op psychothreapeutische methoden, aan het eind meer op biologische.

A. Luxerende factoren opsporen en behandelen, bijvoorbeeld, indien mogelijk, staken depressogene medicatie

B. Medicamenteuze behandeling,
waarbij geldt dat keuze medicament wordt bepaald door gewenste en opgewenste c.q. gecontraindiceerde bij- en nevenwerkingen.


Tricylische antidepressiva: vanwege hun analgetische effect en vaak slaapbevorderende affect nogal eens middel van eerste keus. Hinderlijke bijwerkingen, m.n. van cholinerge aard. Potentieel gevaarlijke bijwerkingen bij cardiale patiënten. Weinig interacties.

SSRI's: geen intrinsiek analgetisch, noch slaapbevorderend effect. Hinderlijke bijwerkingen van serotogene aard. M.u.v serotoninesyndroom geen gevaarlijke bijwerkingen. Interacties.

Wekamines: activerend. Geen intrinsiek analgetisch of slaapbevorderend effect. Nauwelijks bijwerkingen. Zeer snel effectief. Breed indicatiegebied. Potentieel verslavend. Vooral bij beperkte levensverwachting.

C. ECT:
bij levensbedreigende situaties (voedselweigering) als zeer snel effect nodig is.


D. Psychotherapeutische interventies:

Uitleg patiënt over aard aandoening en behandeling
Uitleg en bejegeningsadvies verpleging (stimuleren autonomie) en evt. familie
Empathisch-steunende houding
Cognitieve en/of gedragstherapeutische interventies op indicatie

E. Nazorg regelen
afhankelijk van classificatie


Literatuur

Alvin M, Richard Pounds and John G. Tierney: Depression. In: The American Psychiatric Press Textbook of Consultation-Liaison Psychiatry 1996



Attentie:
Dit is een voorlopige versie. Over deze richtlijn is nog geen consensus bereikt.